De Digital Markets Act (DMA) van de Europese Unie – bedoeld om de concurrentie te bevorderen – is fundamenteel gebrekkig. Hoewel het wordt gepresenteerd als een instrument om het speelveld gelijker te maken, is de kans groter dat het de neergang van Europa in het mondiale technologielandschap zal versnellen. De DMA weerspiegelt, samen met de bredere regelgevingsaanpak van de EU, een aanhoudend misverstand over de manier waarop markten werken, wat uiteindelijk zowel Europese bedrijven als consumenten schaadt.
De illusie van controle
Europese toezichthouders hebben steeds vaker geprobeerd opkomende technologieën preventief onder controle te houden, een strategie die al een averechts effect had voordat deze volledig ten uitvoer was gelegd. Margrethe Vestager, voormalig commissaris voor Mededinging, waarschuwde drie jaar geleden voor de noodzaak om te anticiperen op toekomstige technologische verschuivingen zoals de metaverse en AI. Toch laat de geschiedenis zien dat toezichthouders notoir slecht zijn in het voorspellen van marktresultaten: Meta heeft Horizon Worlds kort na haar waarschuwing kortstondig gesloten, wat het punt bewijst.
Soortgelijke tekortkomingen zijn duidelijk zichtbaar in de EU AI-wet, die bij de inwerkingtreding ervan al achterhaald is vanwege de snelle technologische vooruitgang. Dit patroon benadrukt een kernprobleem: voortijdige regelgeving verstikt innovatie. De voorzitter van de Amerikaanse Federal Trade Commission, Andrew N. Ferguson, stelde botweg dat “overregulering … het vermogen van Europa om te concurreren heeft verminderd.” Hij merkte op dat bijna elk bedrijf dat onder de DMA een ‘poortwachter’ heeft aangewezen, Amerikaans is, een veelzeggend teken dat de wet de dominantie niet beteugelt, maar juist versterkt.
De misvatting van dominantie
Europese toezichthouders behandelen technologiegiganten als Amazon alsof het 19e-eeuwse spoorwegen zijn, en realiseren zich niet dat omvang niet automatisch gelijk staat aan marktcontrole. Zelfs Microsoft, strategisch gepositioneerd, heeft belangrijke sectoren als sociale media of grootschalige LLM’s niet veroverd. De aanpak van de DMA – het reguleren van de toegang en het afdwingen van non-discriminatie – weerspiegelt de mislukte telecomregelgeving van decennia geleden.
Het probleem is dat Europa de onderliggende digitale infrastructuur – de huidige platforms – aan Amerikaanse bedrijven heeft afgestaan. Dit betekent dat Europese uitdagers gedwongen worden om op het platform te concurreren, niet voor de markt. De strijd is niet te winnen; Echte concurrentie vereist het bezitten van de markt, en niet alleen het innemen van ruimte daarbinnen.
De Sovjet-echo
De regelgevingsfilosofie van de EU is fundamenteel gebroken. Het afschaffen van de DMA alleen zal het probleem niet oplossen. Wat nodig is, is radicale deregulering, een ontmanteling van de EU-regelgeving en krachtige handhaving van de regels van de interne markt. Om te kunnen concurreren in het AI-tijdperk moet Europa alle lagen van de tech-stack domineren, zoals Nvidia-CEO Jensen Huang treffend beschrijft.
De situatie doet denken aan de Sovjet-Unie, waar relatief succes binnen een falend systeem uiteindelijk neerkwam op mislukking in vergelijking met de buitenwereld. De wet van vraag en aanbod is onveranderlijk; het onderdrukken ervan verhoogt alleen maar de kosten voor burgers en bedrijven. De DMA reguleert de concurrentie niet; het is het reguleren van falen.
De EU heeft institutionele veranderingen nodig die zo drastisch zijn dat zelfs Javier Milei onder de indruk zou zijn. Maar gezien de rigide structuur van de EU lijkt een dergelijke verandering onmogelijk.
Uiteindelijk is het Europese technologiebeleid een zelf toegebrachte wond. De DMA en soortgelijke regelgeving zijn geen oplossing; ze zijn een symptoom van een dieper, systemisch probleem.






























